GESCHIEDENIS VAN DE ISLAM: Deel III (6)

In de achttiende eeuw begint voor het Ottomaanse rijk wat sommige historici noemen het verval, andere een grondige aanpassing aan veranderende machtsverhoudingen.
Wat die aanpassing van het Ottomaanse bestuurssysteem betreft: de macht verplaatst zich in Istanbul van de huishouding van de vorst naar een oligarchie van hoge civiele ambtenaren in en rond de departementen van de grootvizier.
Ook in de provinciehoofdsteden ontstaan lokale heersende groepen die erin slagen greep te krijgen op de belastingsmiddelen van de provincies en deze te gebruiken voor het vormen van een eigen lokale strijdmacht. Die heersende groepen waren ofwel door Istanbul erkende heersende families, ofwel groepen mamloeks, mannen uit de Balkan of de Kaukasus. Deze laatste waren als militaire slaven of rekruten in de huishouding van een gouverneur of legercommandant in een stad terecht gekomen. Ze waren opgeklommen tot belangrijke functies in het lokale bestuur of het leger en erin geslaagd hun macht door te geven aan andere leden van diezelfde groep. Zulke lokale heersers konden hun belangen verbinden aan die van kooplieden, landeigenaren en de ‘ulama van de stad.
Die situatie was zo in bijna alle provincies van het rijk, die vanuit Istanbul minder gemakkelijk bereikbaar waren. Toch betekent dit niet dat deze plaatselijke heersers onafhankelijke monarchen waren: ze bleven meestal allemaal ‘lokale Ottomanen‘, binnen het Ottomaans systeem, waarin de sultan van Istanbul nog over de uiteindelijke macht beschikte. Toch was het zo dat zelfs de lokale regering en haar bondgenoten buiten de steden niet veel gezag bezat. En in de verst afgelegen streken (zoals bv. Marokko) slaagden de Ottomanen er zelfs niet in hun macht permanent op te leggen.




You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.